Kunt u kort vertellen over uw organisatie en uw rol?
Ik was als kind al met techniek bezig – vooral dingen uit elkaar halen en soms ook weer in elkaar zetten – en dat onderzoekende is gebleven. Ik heb in Delft gestudeerd en ben er gepromoveerd in internet- en communicatietechnologie. Ik was medeoprichter van PowerWeb, een interfacultair instituut rond smart energy grids, waar digitalisering en de energietransitie samenkomen. Daarna wilde ik iets nieuws opzetten en dat de stap van denken naar doen zet: het Do IoT Fieldlab op de campus, Delft on Internet of Things. Daar hebben we een omgeving gecreëerd met 5G-infrastructuur – de eerste stand-alone 5G van Nederland – waar bedrijven met hun ideeën terechtkunnen. Inmiddels hebben tientallen bedrijven er pilots en projecten uitgevoerd. Ten slotte ben ik een van de Principal Investigators binnen Future Network Services, het programma rond 6G-technologie dat de krachten van meer dan zestig partijen bundelt op vijf programmalijnen. Ik trek daar de lijn over intelligente netwerken: architectuur, orchestratie, de software boven op de hardware.
Hoe beoordeelt u de huidige digitale concurrentiekracht van Nederland?
Nederland heeft gewoon een goede basis, zowel Europees als mondiaal gezien. We hebben een stevige infrastructuur, goede universiteiten en een hoogopgeleide bevolking. Die positie staat wel onder druk , want de ontwikkelingen gaan razendsnel. Wij zijn namelijk niet de enigen die het belang van digitale infrastructuur hebben gezien; alle landen om ons heen zien dat ook en er worden enorme investeringen gedaan – zeker met de vlucht die AI neemt. Digitale infrastructuur is een enabler voor alles wat je daarbovenop ontwikkelt. We moeten daarin voorop blijven lopen om onze concurrentiekracht behouden en versterken.
Wat zijn jullie ambities om Nederland digitaal concurrerend te houden?
Onderwijs is natuurlijk hartstikke belangrijk, maar in het onderzoek zit onze ambitie het duidelijkst: wij willen de volgende generatie technologie ontwikkelen. Dat doen we regelmatig samen met het bedrijfsleven, in co-creatie, zoals binnen Future Network Services. Het Fieldlab werkt net zo. Een ondernemer kwam bijvoorbeeld met een idee voor gehoorapparaten: de rekenkracht niet in het apparaatje zelf, maar via een snelle verbinding in de cloud, en het resultaat weer terug. Bij zoiets essentieels als gehoor is vertraging dan eigenlijk onacceptabel. Hij had geen verstand van 5G, maar vanuit zijn use case was dat precies de innovatie die hij nodig had, omdat de verbinding snel genoeg werkt. Uit zulke toepassingen halen wij weer de randvoorwaarden die ons onderzoek sturen.
Welke rol spelen digitale infrastructuur en connectiviteit hierbij in de dagelijkse praktijk van uw organisatie?
Een bepalende. Wij onderzoeken niet alleen netwerken, we gebruiken ze ook: in het onderwijs, in het onderzoek en in de experimenteeromgeving van het Fieldlab. Binnen Future Network Services zijn de programmalijnen bewust gebouwd rond die keten – van chips en antennes, via software en architectuur, naar concrete gebruik in use cases zoals drones die buiten het zicht kunnen vliegen of toepassingen in de zorg. Bedrijven innoveren daar niet zozeer op 6G zelf, maar doen er vroeg ervaring mee op, zodat ze een voorsprong hebben zodra de technologie er is.
Hoe beoordeelt u de kwaliteit van de Nederlandse digitale infrastructuur, en wat functioneert op dit moment goed?
Onze digitale infrastructuur wordt vaak in de top drie gerankt – Europees zeker, in indexen als de DESI, en ook mondiaal staan we er goed voor als het om internet gaat. We hebben een hele goede dekking. De kennis is eveneens goed, al is er nog steeds een tekort aan personeel en moeten we mensen blijven opleiden. En wat ik als winst zie: het besef groeit. Niet alleen van het belang van die infrastructuur, maar ook van de risico's die ermee gepaard gaan, rond security en rond AI.
Wat kan of moet verbeterd worden aan de digitale infrastructuur van Nederland?
In de eerste plaats vooruitdenken en investeren. Daarnaast de digitale vaardigheden van de Nederlander zelf op peil brengen en houden en het opleiden van voldoende mensen. Verder moeten we niet alles off-the-shelf van Big Tech blijven afnemen, maar ook zelf innoveren op het gebied van computerinfrastructuur en de kennis daarover. We werken nu aan een projectvoorstel rond Nederlandse cloudtechnologie – NederCloud noemen we dat – om dat samen met Europese partners te ontwikkelen.
Wat is volgens u de impact van de opkomst van AI op de digitale infrastructuur?
Om te beginnen vraagt AI om capaciteit en rekenkracht, en het AI-verkeer groeit sneller dan de ontwikkeling van AI-chips. Dat betekent dat je slim moet nadenken over hoe je krachten bundelt – en hoe je voldoende capaciteit houdt in de infrastructuur. Een AI-fabriek zoals die in Groningen komt, is hartstikke goed, maar die kan er niet alléén zijn. Wij moeten juist verbinden en coalities vormen.
Het gaat ook om de toepassingen zelf. Als iemand in Delft zijn gehoorprocessing in Groningen moet laten doen, komt die feedback te laat terug. Sommige rekenkracht moet dus gewoon dichtbij zijn, aan de randen van het netwerk, andere toepassingen kunnen weer verder weg. Ik spreek daarom liever over een digital continuüm van netwerk, compute en opslag. Tegelijk kan AI het beheer van netwerken vergemakkelijken: als er iets misgaat krijg je nu een tsunami aan alarmen, waarbij het ene signaal het andere triggert. Met root cause analysis proberen wij daar de werkelijke en diepere oorzaak uit te destilleren. Maar dat vraagt om verificatie – je laat AI niet zomaar los – en om security by design en zero trust, want dezelfde technologie kan ook door kwaadwillenden worden gebruikt.
Waar liggen volgens u de grootste bedreigingen voor Nederland om internationaal concurrerend te blijven?
Achterblijven in investeringen, terwijl er om ons heen door geïnvesteerd wordt. Daarnaast onze afhankelijkheid van Big Tech-technologie; dat is de keerzijde van de geopolitieke verhoudingen waar we ons nu bewuster van zijn geworden. En netcongestie blijft een probleem, want die grote datacentra heb je nog steeds nodig – al kun je dat soort problematiek beter ondervangen wanneer je federeert.
Waar liggen volgens u de grootste kansen voor Nederland om internationaal concurrerend te blijven?
In de stack. Nederland is sterk in semiconductors, met ASML als belangrijkste voorbeeld. Maar alles is met elkaar verbonden via netwerken. Je wilt je netwerktechnologie niet uitbesteden: dan bepaalt iemand anders uiteindelijk hoe jouw verkeer wordt gerouteerd en of het überhaupt aankomt. Daar liggen kansen voor Nederland en Europa. En dan is er digitale weerbaarheid. Security en resilience worden vaak als kostenpost gezien. Dat zijn ze ook, tegelijk bieden ze ook kansen. Er komt Europese regelgeving aan waar alle partijen aan moeten voldoen: als jij als bedrijf niet kunt aantonen dat je product veilig is, kun je het niet in de markt zetten. Wie goed is in security en resilience, heeft dus een voorsprong op de rest. Ik zie dat echt als concurrentiefactor, niet louter als hygiënefactor.
Wat moet Nederland doen om de kansen te benutten en de bedreigingen te voorkomen? Welke rol ziet u daarbij voor de overheid?
Blijven investeren, en dan gericht. Het rapport-Wennink heeft het nodige in gang gezet, er is opnieuw sprake van een ronde uit het Groeifonds en er wordt gesproken over een Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie – naar het voorbeeld van het Amerikaanse DARPA, waar het internet uit is voortgekomen, dat moonshot-ideeën kan faciliteren. Dat vind ik goede ontwikkelingen; we moeten natuurlijk zien wat er van de plannen terechtkomt. Daadkracht is een niet te onderschatten aspect van succesvol beleid. Verder zie ik de kracht van samenwerking liever Europees dan Nederlands alleen. Dat wil niet zeggen dat wij binnen Europees verband geen koploper kunnen zijn op specifieke onderdelen – ASML laat zien dat dat kan – maar breng dat dan wel in het team in.
Stel dat u de staatssecretaris/eurocommissaris die verantwoordelijk is voor digitalisering één dringend advies mag meegeven. Welk advies zou dat zijn?
Systeemdenken, dat is één. Wij moeten ons niet blindstaren op waar we al sterk zijn, zoals halfgeleiders of AI, maar kijken naar de hele stack en ons daar slim in bewegen. Het betekent niet dat Nederland alles zelf moet ontwikkelen. Maar om strategische keuzes te kunnen maken, moet je wel goed weten hoe het systeem in elkaar zit. En doe dat in EU-verband.
Ziet u opties om in een coalitieverband werk te maken van de versterking van de digitale economie?
Dat zit in de kern van wat wij doen. Future Network Services ís zo'n coalitie: meer dan zestig partijen, met programmalijnen van hardware tot software, van use cases tot start-ups en scale-ups, en één lijn rond het ecosysteem en beleid. Het Fieldlab werkt net zo, in co-creatie met bedrijfsleven en overheidsinstanties. Daar hoort ook een inhoudelijke keuze bij: binnen Future Network Services hebben we een Ethics Board en een promovendus op ethiek, omdat we AI technologie willen ontwikkelen volgens Europese normen en waarden. Denk aan de privacy-implicaties van sensing met 6G, of aan bias in AI-modellen. Responsible design nemen wij zeker mee, en daar is Europa sterk in geweest: dankzij Europese wetgeving gelden er nu zaken wereldwijd.
Wat zou uw organisatie met VodafoneZiggo willen doen in dit verband?
We werken al samen. Binnen Future Network Services begeleiden wij twee industrieel promovendi die in dienst zijn bij VodafoneZiggo en in hun werktijd aan een proefschrift werken. De een richt zich op root cause analysis: met een knowledge graph en AI achterhalen wat er nu werkelijk misgaat in een netwerk dat zó complex is geworden dat de wezenlijke oorzaak vaak moeilijk te vinden is. De ander werkt aan netwerkarchitectuur – hoe je functionaliteit in een netwerk plaatst en verplaatst op basis van behoefte. Die samenwerking is voor ons zeer waardevol: een precieze blik op hoe het binnen een telco werkelijk draait, en toegang tot data, krijg je vanuit het universitaire wereldje niet makkelijk. Daardoor kunnen we onderzoek doen dat anders niet mogelijk zou zijn. Ik zou die samenwerking graag uitbouwen, vooral gericht op innovatie. Het initiatief van VodafoneZiggo voor deze interview reeks past daar goed bij.
Over deze serie: Hoe blijft Nederland digitaal concurrerend in Europa en de wereld?
In aanloop naar het symposium Staying Ahead: Connectivity for Europe’s Next Decade op 15 oktober 2026, verzamelt VodafoneZiggo inzichten van kopstukken uit het Nederlandse bedrijfsleven, overheid en technologiesector. De inzichten worden gebundeld in een whitepaper, die tijdens het event wordt gepresenteerd.
Meer informatie over het symposium? Neem dan contact op via communicatie@vodafoneziggo.com.
Benieuwd naar het vorige interview uit deze serie? Lees hier het gesprek met Marc Zegveld, Managing Director ICT, Strategy & Policy bij TNO.
De technologische concurrentiekracht van Nederland en Europa staat voor grote uitdagingen. De opkomst van AI, de toenemende vraag naar chips en veranderende geopolitieke verhoudingen maken het belangrijker om de hele technologische waardeketen te versterken. Om te bepalen wat ervoor nodig is om technologisch voorop te blijven lopen, spreekt VodafoneZiggo in de serie 'Staying Ahead' met Nederlandse denk- en doe-leiders uit bedrijfsleven, overheid en technologiesector. Een van hen is Fernando Kuipers, hoogleraar Internet Science aan de TU Delft en wetenschappelijk directeur van het Do IoT Fieldlab, waar bedrijven hun ideeën beproeven op de eerste stand-alone 5G-infrastructuur van Nederland. Binnen het Groeifondsprogramma Future Network Services leidt hij de programmalijn over intelligente, AI-gedreven 6G-netwerken. Zijn centrale boodschap: denk in systemen, niet in losse successen.
