De digitale concurrentiekracht van Nederland verandert sneller dan ooit door innovatie, geopolitiek, big tech en AI. VodafoneZiggo gaat daarover in gesprek met Nederlandse denk- en doe-leiders uit bedrijfsleven, overheid en technologiesector. Belangrijkste vraag die we hen stellen: hoe kan Nederland voorop blijven lopen in Europa en de wereld. Deze interviewserie deelt hun inzichten over beleid, investeringen en digitale infrastructuur. In dit gesprek spreken we met Martijn Snoep, voorzitter van de Autoriteit Consument & Markt (ACM).

Organisatie en rol: De ACM is een brede markttoezichthouder die toeziet op de goede werking van vrijwel alle markten in Nederland, in samenwerking met andere toezichthouders waar die eveneens bevoegd zijn. Veel markttoezicht wordt op Europees niveau gecoördineerd of geharmoniseerd; de ACM werkt daarom nauw samen met de Europese Commissie en de nationale toezichthouders van andere EU-lidstaten, op basis van grotendeels dezelfde regels. De organisatie telt circa 900 medewerkers.

Hoe staat Nederland ervoor als het gaat om digitale concurrentiekracht?
Hier zie ik een wisselend beeld, afhankelijk van het niveau waarop je kijkt. Op infrastructuurniveau staat Nederland er sterk voor. Er ontstond al vroeg een landelijk kabelnetwerk naast het vaste netwerk van voormalig staatsmonopolist PTT, waardoor er twee vaste netwerken waren die steeds meer met elkaar gingen concurreren, Nederland stimuleerde ook vroeg een concurrerende mobiele markt, deels dankzij verstandig overheidsbeleid, deels dankzij toezicht en deels dankzij investeringen van bedrijven zelf.

Op het niveau van digitale diensten is het beeld minder positief: een groot deel van de digitale diensten,denk aan cloud- en belangrijke IT-diensten, wordt over de Nederlandse infrastructuur aangeboden door buitenlandse, met name Amerikaanse, bedrijven die weinig concurrentie van elkaar ondervinden.

Nederland loopt voorop in het gebruik van nieuwe digitale diensten, dankzij een hoogopgeleide, Engelstalig georiënteerde bevolking, een aantrekkelijk fiscaal klimaat en nieuwsgierigheid naar nieuwe technologie, maar veel minder in de ontwikkeling en het aanbieden ervan.

Een kleine, open economie met de druk om zo goedkoop mogelijk in te kopen speelt vooral Amerikaanse partijen in de kaart, die profiteren van schaalgrootte, professionaliteit en innovatiekracht. Bol noem ik als opvallende uitzondering, toch een beetje het Gallische dorpje van Europa tegenover Amazon. Bertelsmann richtte vroeg Bol op als online boekhandel en Ahold heeft het sinds 2012 doorontwikkeld als marktplaats. Samen met Polen behoort Nederland tot de weinige landen met een partij die serieuze concurrentie kan bieden aan Amazon.

Welke ambitie is nodig om Nederland ook de komende jaren internationaal concurrerend te houden?
Wij zien onszelf als een soort “loodgieter”: we kijken voortdurend naar markten en pakken, waar iets niet goed werkt, een instrument uit de gereedschapskist om de werking te verbeteren of verslechtering te voorkomen. We zijn geen aanjager van innovatie, maar helpen de voorwaarden te behouden waaronder voldoende innovatie, open markten en concurrentie mogelijk blijven, met oog voor eventuele negatieve effecten.

We zien onszelf liever als “marktmeester” dan als “politieagent”: we zorgen dat de markt aantrekkelijk en overzichtelijk blijft en dat iedereen de kans krijgt een plek te veroveren, zonder dat één partij de rest verdringt. Ons instrumentarium is breed en gaat verder dan boetes. We geven ook advies aan de regering, voeren gesprekken met marktpartijen, brengen partijen bij elkaar en doen onderzoek om te kijken hoe een markt werkt en de samenleving daarover te informeren. Soms denken mensen dat een markt niet goed werkt maar valt het mee en soms is het andersom.

Welke rol speelt digitale infrastructuur daarin?
Voor mij is digitale infrastructuur de absolute basis: zonder infrastructuur is er geen digitale dienst mogelijk.

Hoe is de kwaliteit van de Nederlandse digitale infrastructuur?
Al met al goed, we hebben niet te klagen, maar dit is wel iets om voortdurend in de gaten te houden. Duplicatie van infrastructuur is mogelijk en leidt tot noodzakelijke concurrentie, maar door de enorme schaalvoordelen is het niet realistisch om te streven naar veel parallelle infrastructuren, er zullen altijd relatief weinig aanbieders zijn.

Dat maakt het een broos evenwicht: om voldoende concurrentie tussen infrastructuurpartijen te behouden hebben we bijvoorbeeld de overname van Delta's glasvezelactiviteiten (althans een deel van de activiteiten buiten Delta's thuismarkt’ in Zuidwest-Nederland) door het al sterke KPN tegengehouden.

Omdat marktwerking hier niet vanzelf tot voldoende concurrentiedruk leidt weinig spelers en hoge drempel voor toetreding - blijft dit waarschijnlijk een gereguleerde sector. De mate van regulering proportioneel moet wel zijn aan het doel: het behoud van concurrentie en de bescherming van consumenten. We moeten voorkomen dat regulering de concurrentie juist verstikt.

We proberen daarbij een voorspelbare toezichthouder te zijn, die duidelijk maakt waar we op letten en hoe we redeneren. we hanteren een horizon van circa drie tot vijf jaar vooruit, bewust behoedzaam, omdat voorspellingen over de verdere toekomst er regelmatig naast blijken te zitten, zelfs van de beste specialisten.

Dat kan spanning geven met bedrijven die veel langetermijninvesteringen doen, omdat het risico van een verkeerde langetermijninschatting door een toezichthouder een maatschappelijk effect heeft, terwijl het risico van een verkeerde investeringsbeslissing door een bedrijf vooral een financieel effect voor de investeerders zelf is.

Onafhankelijk markttoezicht, een Europese verplichting, is volgens mij ook een voordeel voor bedrijven, omdat het politiek gekleurde bevoordeling van bepaalde bedrijven voorkomt zoals dat in sommige andere landen buiten Europa wel gebeurt. Je zal maar als bedrijf niet in de smaak vallen van de politieke leiding.

Wat functioneert op dit moment goed aan de Nederlandse digitale infrastructuur?
Wat volgens mij vooral goed werkt, is dat er concurrentie is, echte keuzevrijheid, en die concurrentie jaagt innovatie aan. Zonder de concurrentiedruk van de kabel had KPN mogelijk minder aanleiding gezien om versneld van koper naar glasvezel over te stappen; nu doet KPN dat juist om niet achter te blijven bij de kabel. Andersom zie je Ziggo zich nu door ontwikkelen om de concurrentie door KPN te weerstaan. In sommige landen zijn ze hier jaloers op.

Waar ziet u de belangrijkste verbeterpunten?
Hier wil ik bewust geen hard oordeel geven, omdat niemand precies weet hoe de wereld er over vijf tot tien jaar uitziet. Wat dus moet verbeteren, is dat we allemaal flexibel blijven om snel te kunnen inspelen op veranderingen.

We halen visies op bij bedrijven zelf en proberen vervolgens de gemene deler te vinden, of infrastructuurontwikkeling te ondersteunen die zoveel mogelijk toekomstscenario's openhoudt. We opereren daarmee bewust later in het proces dan de bedrijven die de markt zelf beter kennen.

Wel signaleer ik dat digitale infrastructuur steeds vaker als “strategisch” of “kritiek” wordt bestempeld. Onze eigen rol verandert daarbij niet wezenlijk: infrastructuur blijft in essentie nationaal georganiseerd, ook al raakt die steeds meer verweven met Europese infrastructuur. Retailklanten willen immers hun eigen taal, voorkeuren, kortingssystemen en aanbiedingen.

Op het vlak van digitale dienstverlening is digitale autonomie en soevereiniteit wel een belangrijk speerpunt voor ons: we brachten recent samen met De Nederlandsche Bank en enkele andere toezichthouders (zie kader hierboven) een gezamenlijk paper uit over zorgen rond de afhankelijkheid van dienstaanbieders, met een oproep aan de markt om te melden waar regels de ontwikkeling van Europese/Nederlandse digitale diensten in de weg zouden staan. Een eerdere ronde tafel over deze problematiek leverde nog weinig concreets op. De vraag is dus of het wel aan de regels ligt, zoals wel eens wordt gesuggereerd.

Welke impact heeft AI op onze digitale infrastructuur?
Ik zie AI vooral als een digitale dienst die over de infrastructuur wordt geleverd, en dat versterkt het belang van digitale diensten in alle productieprocessen; de infrastructuur moet daarop berekend zijn. Belangrijker vind ik de vragen rond de dienstverlening zelf: aan wie worden AI-diensten aangeboden en door wie, welke regels gelden daarvoor, en wat gebeurt er als het een aanbieder uit een ander land verboden wordt diensten te leveren? Dit soort vragen waren tien jaar geleden nog hypothetisch maar zijn dat nu niet meer. Als voorbeeld van een interessante actuele ontwikkeling noem ik een initiatief van STACKIT, dat met KPN optrekt om Duitse clouddiensten op de Nederlandse markt te brengen, en het feit dat KPN zelf ooit uit IT-diensten stapte en er nu weer instapt. Dat soort strategische keuzes van marktpartijen zie ik als een hoopgevend onderdeel van concurrentiedynamiek.

Waar liggen volgens u de grootste bedreigingen voor Nederland om internationaal concurrent te blijven?
Voor mij is de kern (te) grote afhankelijkheid. Volledige onafhankelijkheid is nooit haalbaar en ook niet wenselijk. Dat zou tegen alle economische wetten indruisen. Maar iets minder afhankelijkheid zou goed zijn, met name waar het gaat om essentiële digitale diensten.

Nederland moet zich weerbaarder maken tegen chantage, zodat essentiële maatschappelijke processen kunnen blijven draaien, ook wanneer aan dienstverlenende bedrijven sancties worden opgelegd. Ik vind dat beleidsmakers hierop moeten inzetten via drie punten: een aantrekkelijk investeringsklimaat met kapitaal, arbeid, goed onderwijs en een aantrekkelijk vestigingsklimaat); het opruimen van verouderde regels die innovatie in de weg zitten; en een strategischer inkooprol van de overheid als grote afnemer van digitale diensten, een “launching customer”, die zich, mits transparant, meer risico kan permitteren dan een commerciële inkoper.

We brengen bijvoorbeeld jaarlijks een overzicht uit van regels die geschrapt kunnen worden en vragen bedrijven actief naar knelpunten, maar ik signaleer dat hier minder uitkomt en mee wordt gedaan dan ik had gedacht. Dat typeer ik als schadelijk voor de markt, want het ondermijnt de legitimiteit van de regels die overblijven.

Die ruimte voor de overheid als strategische inkoper wordt in de praktijk nog onvoldoende benut vanwege een cultuur van zo goedkoop mogelijk inkopen.

En waar juist de grootste kansen?
Ik spreek hier meer als burger dan als ACM-voorzitter: de grootste kansen liggen volgens mij in digitale en andere hoogwaardige technologie). Structureel gezien is Nederland, een klein, hoogopgeleid en grotendeels verstedelijkt land, en dus het best gepositioneerd in digitale en hoogwaardige technologische dienstverlening in brede zin en de zakelijke dienstverlening die daarbij hoort. Een goede digitale infrastructuur is daarvoor een basisvoorwaarde.

Welke knelpunten moeten worden aangepakt om die kansen te benutten? En welke rol heeft de overheid hierin?
Voor mij valt dit grotendeels samen met de drie eerder genoemde punten: een aantrekkelijk wettelijk investeringsklimaat scheppen, verouderde regels opruimen, en de overheid een strategischer rol laten spelen als grote, “launching” afnemer van (digitale) diensten.

Als u één dringend advies zou mogen geven aan de staatssecretaris of eurocommissaris: wat zou dat zijn?
Ik zou twee adviezen geven, één voor elke rol.

Aan de staatssecretaris (digitale economie, ministerie van EZK) zou ik zeggen: zet volop in op stimulering van de digitale economie, maar vergeet niet de bevolking daarin mee te nemen. Als een deel van de bevolking niet meegroeit met de digitale ontwikkeling, ontstaat een maatschappelijke tweedeling die investeringen alsnog kan laten mislukken. Naast de aanbodkant (waar het ministerie van Economische Zaken zich traditioneel vooral op richt) moet ook de vraagkant worden meegenomen, onder meer via onderwijs en het waarborgen van consumentenbelangen. We zien een grote groep mensen die weinig digitaal vaardig is en niet via een app geholpen wil worden. Die kloof moet worden die overbrugd.Anders dreigt afhaken en het omarmen van populistische partijen die een terugkeer naar de goede oude papieren tijd beloven.

Aan de Eurocommissaris zou ik zeggen: denk Europees, houd Europa, ook digitaal, bij elkaar en zorg voor een goed werkende Europese interne markt. De uitdaging is wat mij betreft de balans te vinden tussen begrijpelijke nationale identiteit en trots en de noodzaak van de ontwikkeling van een Europese identiteit daarnaast/ Europeanen moeten net zo trots worden op een “Europese kampioen” als op een nationale. Politiek ligt nationale profilering echter voor de hand (“het hemd is nader dan de rok”). Op nationaal en Europees niveau is tegenwicht nodig.

Wat kunnen we doen om de digitale economie van Nederland verder te versterken en welke coalitie is daarvoor nodig?
Ja, die opties zie ik zeker. Concreet noem ik samenwerking met andere nationale toezichthouders, zoals bij het gezamenlijke paper over digitale afhankelijkheid, en met de Europese Commissie, onder meer via gezamenlijke onderzoeksteams (“joint investigation teams”. Ik verwacht dat dit aandeel van het toezichtswerk blijft groeien.

Daarnaast beschrijf ik, niet zozeer als formele coalitie maar als manier van positioneren, dat wij onszelf bewust geen “politieagent” of “kartelwaakhond” noemen, maar werken met een “open deur”. Bedrijven die tegen iets aanlopen, nodigen we uit om dit te melden. Vervolgens luisteren we en kijken we of we het kunnen oplossen als dit in het algemeen belang is.

We laten ons altijd leiden door de feiten; veranderen de feiten, dan verandert ook ons standpunt. Bij coalities gaat het volgens mij niet om doen alsof belangen altijd samenvallen - dat is vaak ook niet zo - maar om vanuit verschillende belangen tot een gezamenlijke oplossing te komen.

De reden waarom ik dit werk doe, is om de economie beter te maken. Onze missie is markten goed laten werken voor alle mensen en bedrijven. We heten weliswaar de Autoriteit Consument & Markt, maar we zijn er niet alleen voor consumenten - ook voor bedrijven.

Over deze serie: Hoe blijft Nederland digitaal concurrerend in Europa en de wereld?
In aanloop naar het symposium Staying Ahead: Connectivity for Europe’s Next Decade op 15 oktober 2026, verzamelt VodafoneZiggo inzichten van kopstukken uit het Nederlandse bedrijfsleven, overheid en technologiesector. De inzichten worden gebundeld in een whitepaper, die tijdens het event wordt gepresenteerd.

Meer informatie over het symposium? Neem dan contact op via communicatie@vodafoneziggo.com.

Benieuwd naar het vorige interview uit deze serie? Lees hier het gesprek met Constantijn van Oranje, envoy van Techleap.