De digitale concurrentiekracht van Nederland verandert sneller dan ooit door innovatie, geopolitiek, big tech en AI. VodafoneZiggo gaat daarover in gesprek met Nederlandse denk- en doe-leiders uit bedrijfsleven, overheid en technologiesector. Belangrijkste vraag die we hen stellen: hoe kan Nederland voorop blijven lopen in Europa en de wereld. Deze interviewserie deelt hun inzichten over beleid, investeringen en digitale infrastructuur. In dit gesprek spreken we met Hilde van der Meer, commissaris bij de Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA).

Kunt u kort vertellen over uw organisatie en uw rol?
De Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) is een uitvoeringsorganisatie van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en wordt mede aangestuurd door het ministerie van Buitenlandse Zaken. De NFIA bestaat inmiddels bijna vijftig jaar en heeft 25 kantoren in het buitenland, vaak gevestigd op ambassades en consulaten. Onze mensen zoeken actief naar bedrijven die we graag naar Nederland willen halen. We bepalen vooraf dus heel bewust of we met een bedrijf aan de slag willen en zijn gericht op zoek naar aanvullingen en versterkingen van onze economie. Dat past bij ons motto: klein land, grote ambitie, goed vestigingsklimaat, doordenken in ontwikkeling. We begeleiden dus nieuwe bedrijven naar Nederland, maar minstens zo belangrijk is onze taak om de 18.000 buitenlandse bedrijven die al in Nederland zitten te behouden en hen te helpen uitbreiden. Dat doen we samen met de regionale ontwikkelingsmaatschappijen, grote steden en NDL in het Invest in Holland netwerk: een goed afgestemd ecosysteem dat door de jaren heen zijn waarde heeft bewezen. We willen de goede uitgangspositie van Nederland behouden en versterken.

Hoe beoordeelt u de huidige digitale concurrentiekracht van Nederland?
Als je naar Nederland kijkt, zijn er natuurlijk dingen die minder goed gaan dan voorheen. Maar ik heb niet het idee dat onze digitale concurrentiekracht minder is dan een paar jaar geleden; het blijft een belangrijke trekker voor buitenlandse bedrijven. Dat zit zowel in het systeem dat er ligt als in hoe de Nederlander ermee omgaat – we zijn best tech-savvy. En dat geldt allang niet meer alleen voor IT- en techbedrijven: ook sectoren als life sciences & health en agrifood hebben essentiële behoefte aan goede digitale infrastructuur. Nieuwe innovatieve bedrijven nemen digitale infrastructuur inmiddels standaard mee als investeringscriterium. Het is voor ons echt een enabler geworden. En die is op dit ogenblik in Nederland echt goed in orde – wat niet betekent dat we er niet aan moeten blijven werken.

Wat zijn jullie ambities om Nederland digitaal concurrerend te houden?
Digitaal zit inmiddels dus helemaal verweven in wat voor ons relevante bedrijven zijn om aan te trekken, simpelweg omdat het duidelijk in het lange termijn beleid van de overheid zit: je hebt een digitale basis nodig om concurrerend te blijven én om de ecosystemen te ontwikkelen die we willen ontwikkelen. Concreet betekent dat dat we binnen dat digitale domein een aantal subsectoren kiezen en wereldwijd proactief op zoek gaan naar bedrijven die dingen kunnen die wij hier nog niet kunnen – bedrijven die een probleem helpen oplossen, een gat in een ecosysteem vullen, iets versnellen, of meewerken aan Europese digitale soevereiniteit. Daarachter zit een overtuiging: Nederland moet niet alles zelf willen doen, want daarvoor zijn we te klein en gebeurt er wereldwijd te veel. Kijk naar een AI Factory die nu in Groningen wordt opgebouwd: die groeit sneller en groter als je actief verbindingen zoekt met partijen van buiten, dan wanneer je hem alleen met Nederlandse initiatieven probeert te vullen. Natuurlijk willen we ook heel graag onze eigen nieuwe ASML of Booking, maar dat kan niet het enige zijn wat je wilt: 20 tot 30 procent van onze economie is nu al afhankelijk van buitenlandse bedrijven. Als klein land kunnen we het ons niet veroorloven om naar binnen gekeerd te raken – we blijven dus naar buiten kijken.

Welke rol spelen digitale infrastructuur en connectiviteit hierbij in de dagelijkse praktijk van uw organisatie?
Digitale infrastructuur is voor ons dagelijks werk. Buitenlandse bedrijven die we aantrekken, kijken er inmiddels net zo vanzelfsprekend naar als naar fiscale regelingen of de arbeidsmarkt. Als wij Nederland onder de aandacht brengen, wijzen we bijvoorbeeld op Amsterdam als groot internetknooppunt en op onze datacentercapaciteit, lage latency en hoge energiezekerheid – stuk voor stuk zaken die voor bedrijven een zwaarwegend investeringscriterium zijn.

Hoe beoordeelt u de kwaliteit van de Nederlandse digitale infrastructuur, en wat functioneert er op dit moment goed?
Onze digitale infrastructuur is nog steeds top. Ze staat onder druk, maar buitenlandse bedrijven zien nog altijd dat Amsterdam een groot internetknooppunt heeft, dat er enorm veel datacentercapaciteit is, dat de latency laag is en de energiezekerheid hoog. Dat zijn zwaarwegende investeringscriteria. De druk zit vooral in de toekomst: van de zeekabels die op Nederland aansluiten, raakt een deel obsoleet en moet vervangen worden, en met de groeiende hoeveelheid data moeten er ook nieuwe bijkomen. Daar moet in geïnvesteerd worden. Energie zelf is eigenlijk geen probleem, want we produceren genoeg, maar het net is nog niet klaar voor de toekomst. Daar ligt een serieus knelpunt dat nu gelukkig breed onder ogen wordt gezien – en belangrijker: dat wordt aangepakt met daadkracht en creativiteit.

Wat kan of moet verbeterd worden aan de (digitale) infrastructuur van Nederland?
De vergunningstrajecten in Nederland duren simpelweg te lang, of het nu gaat om datacenters, telecom masten of kabels; vergeleken met andere landen is dat echt een minpunt. Dat komt terug in onze dagelijkse praktijk: bij grote investeringsprojecten zijn we enorm veel tijd kwijt om netaansluiting te krijgen, zeker nu bedrijven door de nieuwe wachtlijstregels niet meer vooraan staan, tenzij ze als 'netverzachter' pieken van het net af kunnen halen. Tegelijk zie ik ook typisch Nederlands aanpassingsvermogen: waar we drie jaar geleden nog geen idee hadden wat we hiertegen konden doen, ontstaan er nu mooie tussenpartijen met batterij- en gasturbine-oplossingen die het probleem van bedrijven feitelijk overnemen.

Wat is volgens u de impact van de opkomst van AI op de digitale infrastructuur?
AI is zo relevant dat het van alles in gang zet, denk aan de AI-coalitie. Maar het brengt ook uitdagingen mee waar we nog niet voor alles een oplossing hebben, van stroomverbruik tot soevereiniteit en persoonlijke bescherming. Wij luisteren daarin goed naar onze opdrachtgevers, die kijken naar de maatschappelijke en economische uitdagingen van Nederland; dat vertalen wij naar een zoektocht naar bedrijven met de bijpassende oplossing. Bedrijven met generieke AI-oplossingen kijken nog niet zo naar Nederland, maar op nichegebieden – AI in de zorg, AI in life sciences – liggen wél veel kansen. Wat ik daarbij opvallend vind: Nederland staat er goed voor op het gebied van AI-ethiek en dataprivacy. Voor sommige buitenlandse bedrijven is alle aankomende Europese wetgeving een zorg, maar als je compliant bent met Europese regels, ben je dat vrijwel automatisch ook voor de rest van de wereld – dus het biedt net zo goed kansen. Sowieso zie ik dat soevereiniteit en weerbaarheid een steeds beslissender factor worden voor gevestigde bedrijven: zij volgen nauwlettend welke Europese besluiten er vallen en wat dat voor hun positie betekent. We zien onszelf dus ook nadrukkelijk als onderdeel van Europa.

Waar liggen volgens u de grootste bedreigingen voor Nederland om internationaal concurrerend te blijven?
Onze positie in de wereld is voor zo'n klein land eigenlijk verbazingwekkend goed, maar dat maakt ons ook kwetsbaar: wij zijn een cruciaal knooppunt, en als er ergens in de wereld iets heel vervelends gebeurt, zijn we daar door onze positie meteen bij betrokken – dat kan heel ontwrichtend werken. Daarnaast is de basis, denk aan stroom, iets dat we snel op orde moeten krijgen, en zijn de lange vergunningstrajecten een reëel probleem. Ook talent blijft een aandachtspunt: er is een tekort aan de juiste mensen, dat de afgelopen jaren deels is opgelost doordat er veel mensen van buiten komen en studenten zijn gebleven. Dat wordt eigenlijk weinig benoemd, terwijl aan de andere kant bedrijven ons vaak vertellen dat het elders nog veel ingewikkelder is dan hier.

Waar liggen volgens u de grootste kansen voor Nederland om internationaal concurrerend te blijven?
Op dit moment worden wereldwijd de kaarten geschud over waar nieuwe AI-hubs komen. Wij moeten niet willen concurreren met de grote Big Tech AI-aanbieders, maar op zoek gaan naar niches waarin we kunnen uitblinken – digital healthcare bijvoorbeeld, waarin Nederland wereldwijd vooroploopt. We zijn nog steeds een digital gateway to Europe, en die kunnen we uitbouwen tot een secure digital gateway: we hebben een groot cybersecuritycluster in Den Haag en een groot techcluster in Eindhoven, waar steeds meer cybersecurity in relatie tot chips en devices wordt ontwikkeld. Juist in die combinatie liggen kansen.

Wat moet Nederland doen om de kansen te benutten en de bedreigingen te voorkomen? Welke rol ziet u daarbij voor de overheid?
We kunnen niet alles van Big Tech overdoen in Europa, dus moeten we slimme keuzes maken en ons richten op onze eigen niches om relevant te blijven in een geopolitiek turbulente wereld. Vanuit de overheid is het vooral belangrijk om die keuzes ook echt te maken en aan te houden: focus bijvoorbeeld op de sleuteltechnologieën uit de Nationale Technologiestrategie. En wees niet bang om afhankelijkheden te hebben; je kunt simpelweg niet alles zelf doen.

Stel dat u de staatssecretaris/eurocommissaris die verantwoordelijk is voor digitalisering één dringend advies mag meegeven. Welk advies zou dat zijn?
Hoe belangrijk we onszelf ook vinden: we zijn natuurlijk maar een lieveheersbeestje. We willen dat andere landen van Nederland afhankelijk zijn – en dat kan alleen als we zelf accepteren dat we ook afhankelijk blijven van andere landen. Hier is het verdienmodel van Nederland op gebaseerd, het is goed om dat te erkennen, te omarmen, uit te dragen en te versterken.

Ziet u opties om in een coalitieverband werk te maken van de versterking van de digitale economie?
Zeker, op verschillende terreinen. Als deelnemer aan de Zeekabelcoalitie, die als taak heeft nieuwe zeekabels naar Nederland te laten lopen, werken we nauw samen binnen het security cluster HSD op het gebied van cybersecurity. Daarnaast schakelen we met alle ecosystemen in Nederland, van Wageningen tot Brainport, maar ook mooie plekken als de Energiehub in Arnhem en de Watercampus in Leeuwarden, om te kijken welke bedrijven we missen en die vervolgens wereldwijd op te sporen. Ik denk dat die publiek-private samenwerking en dat ecosysteemdenken een van de grote voordelen van Nederland is, juist omdat we voortdurend concurreren én samenwerken met andere Europese landen die ook sterke clusters hebben. Onze schaal helpt daarbij: Nederland is klein, maar wel overzichtelijk, en samenwerken zit er al sinds we het water uit de polders wilden houden.

Over deze serie: Hoe blijft Nederland digitaal concurrerend in Europa en de wereld?
In aanloop naar het symposium Staying Ahead: Connectivity for Europe’s Next Decade op 15 oktober 2026, verzamelt VodafoneZiggo inzichten van kopstukken uit het Nederlandse bedrijfsleven, overheid en technologiesector. De inzichten worden gebundeld in een whitepaper, die tijdens het event wordt gepresenteerd.

Meer informatie over het symposium? Neem dan contact op via communicatie@vodafoneziggo.com.

Benieuwd naar het vorige interview uit deze serie? Lees hier het gesprek met Clare Jones, CEO van Polarsteps.